|
Langs beken jagen kwikken op allerlei plekken, zoals: zandbanken, zand- of slikrandjes, puin,
houten of stenen oeverversterkingen, samengedreven vuil, vuilvangers, zandvangers, stortstenen van vistrappen of modderige zijslootjes.
Langs kanalen benutten ze natte sluisdeuren en stootbalken die aan de waterlijn liggen.
Op rioolwaterzuiveringen zoeken ze onder andere voedsel langs effluentsloten, beluchtingstanks, goten en op randen van nabezinktanks.
De kwikstaarten zijn opportunisten. Ze kunnen ook foerageren op wegen, langs poelen en vijvers, op zeer korte gazons en op daken.
Grote gelen zijn dus niet 100 % afhankelijk van stromend water. Het is zeldzaam, maar op sommige plaatsen zijn voldoende 'vreemde' oppervlakten om te jagen, bijvoorbeeld opslagterreinen.
En sommig op het oog geschikt biotoop trekt onverwacht geen broedparen. Dit gebeurt in het voorjaar als de waterschappen de stuwen strijken, zodat boeren hun land kunnen bewerken.
Veel watergangen lijken dan geschikt; de waterstand is laag en overal zijn voor onze kwik geschikte slikrandjes ontstaan.
Als de landbewerkingen achter de rug zijn, stuwt men het water weer op naar zomerpeil en ‘verdrinken’ deze slikranden.
De drooglegging duurt een relatief te korte tijd, te kort voor een kwikstaartbroedsel.
Grote Gele Kwikstaarten zijn in het algemeen wel liefhebbers van een dynamisch milieu.
Ze mijden reeds lange tijd begroeide oevers met een gesloten vegetatie van lang gras, netels of riet.
Vistrappen en beekherstelprojecten zijn daarom vooral in de beginjaren zeer aantrekkelijk voor Grote Gele Kwikken.
Ze verliezen daarentegen veel van hun aantrekkingskracht als de stortstenen of oevers te dicht begroeid raken.
Oevers die loodrecht in het water ‘vallen’, zoals muurtjes, bieden geen foerageermogelijkheden.
Hetzelfde geldt voor oeverbeschoeiingen als damwanden.
Daardoor is 99% van het Wilhelminakanaal ongeschikt voor de Grote Gele Kwikstaart.
|



|